Tjako van Schie Home Agenda Bio CD's Movies Compositions Projects Articles Repertoire Lessons Gallery Press Site Map Links Guestbook Contact
Essay: Enige gedachten bij de Sonates van Scarlatti….


EPTA

Sjabloonstukken, maar interessante sjabloonstukken!

Bij veel componisten vermoedt men in het oeuvre een ‘ontwikkeling’ van een beginnend ambachtelijk minder geschoolde musicus naar volgroeide complexere rijkdom in de latere werken. Beethovens werken zijn daar een fraai voorbeeld van: zijn vroege sonates en overige werken volgen redelijk strict de classicistische traditie, zijn latere werken zijn toonbeelden van individueel verworven vrijheid, waarbij vorm, structuur, virtuositeit, harmonische en thematische ontwikkeling steeds minder sjablonistisch zijn.

Opgemerkt kan worden dat het concept van 'ontwikkeling' een moderne invulling is van het vooruitgangsdenken. In de barokke tijd was dit denken wellicht anders gekleurd, omdat zaken sowieso meer vast stonden, en kennisverwerving niet als ideaal maar als ambachtselement werd gezien. (Vgl. het meester-gezel model, de dogmatische benadering van min of meer vaste en niet te betwijfelen geloofswaarheden, een nog zeer rudimentair wetenschappelijk denken vergeleken met de verlichting). In de barok stond de tijd nog min of meer stil, al waren er al kleine aanwijzingen dat er andere tijden aan zouden komen. Maar het heersende mensbeeld was statisch en innovaties zouden vooral na de barokke periode pas een explosie veroorzaken in de maatschappij, het denken, en in de ideologieën van mensen en stromingen.

In het werk van Scarlatti (dat voornamelijk van belang is door zijn 555 'sonates' geschreven voor klavierinstrument) zien we dit terug: Scarlatti had een min of meer vaste broodheer aan het hof, en schreef ook voornamelijk voor de doelgroep van hovelingen. Tafelmuziek, feestmuziek, af en toe een koorwerk en klavierwerken ter verpozing. Daarnaast leidde hij uiteraard als meester gezellen op: hij had klavierleerlingen, voor wie hij lesstof nodig had.

Karl H. Wörner – “Geschiedenis van de muziek” (uitg. Spectrum, 1e druk 1974, p. 405) schrijft over de Sonates:
"Een omwenteling in de klaviermuziek wat betreft vorm en techniek bewerkte Domenico Scarlatti (1685-1757), zoon van Alessandro Scarlatti, kapelmeester aan de Capella Giulia te Rome, vanaf 1720 hofclavecinist in Lissabon en vanaf 1729 te Madrid. Hij schreef meest eendelige sonates, in die tijd ook 'essercizi' (etudes) genaamd, waarvan de meeste na 1729 ontstonden en 555 in hoofdzaak in manuscript bewaard bleven. Enkele van zijn sonates zijn belangrijke bijdragen tot de ontwikkeling van de hoofd- of sonatevorm. Scarlatti ontwikkelde in deze sonates een nieuwe technische stijl van het klavierspel (grote sprongen, het overslaan van de handen, snelle toonsherhaling, trillers, tertsen- sexten en octavenpasages), van een speelse, virtuoze lichtheid en spirituele elegantie. Scarlatti was de vader van het moderne klavierspel."

Ik heb hierbij de volgende kanttekeningen:

  • De relatief korte tijd (28 jaar) van 1729 tot 1757 (de dood van Scarlatti) maakt dat we - mede omdat Scarlatti bij aanvang van het schrijven reeds 44 jaar oud was en hoogstwaarschijnlijk reeds zeer ontwikkeld als klavierspeler en pedagoog - veel minder ontwikkeling zien in stijl en complexiteit, dan bijvoorbeeld in latere sonatecomponisten als Mozart (die van jeugd af aan sonates schreef en als het ware meegroeide met zijn eigen spelontwikkeling in zijn compositorische complexiteit) of Beethoven (die zijn hele leven ook sonates schreef maar bovendien in een veel roeriger tijd leefde, waarin ontwikkelingen ook veel sneller gingen).

  • Ook is het niet of nauwelijks aanwezig zijn van een toename van complexiteit wellicht te verklaren vanuit het feit dat de sonates van Scarlatti oefenstof waren, waarin hij wellicht zelf vrijelijk grasduinde om passende stukken voor leerlingen met specifieke speelproblemen te kunnen uitzoeken.

  • Iets soortgelijks (de oefeningen hoeven zich niet stilistisch veel te ontwikkelen) ziet men in de pedagogische werken van Carl Czerny, die weliswaar voor vele nivo's van kunnen oefeningen schreef, maar waarin ook latere oefeningen slechts door pianistisch nivo van de leerstof van elkaar verschillen, en geen echte stijlveranderingen laten zien.

  • Componisten schreven voorts vaak met de mode van de tijd en plek mee, en het Iberisch schiereiland was cultureel toch iets geïsoleerder in Europa gelegen in de eerste helft van de 18e eeuw, zodat stijl en smaak waarschijnlijk minder veranderden dan in Noord-Europese landen, Italië of Spanje.

  • Dat zou kunnen verklaren waarom bijna alle sonates van Scarlatti een zelfde stramien volgen: de Forma Bipartita, geënt op de gangbare barokke dansmuziek, met een expositie die moduleert naar de dominant (waar de dubbele streep de twee helften markeert) gevolgd door een reprise die terugmoduleert naar de tonica. Dit stramien wordt feitelijk noch in vroege, noch in late sonates losgelaten, een enkele uitzondering daargelaten.

  • De vernieuwing van Scarlatti zat hem dus niet in een progressief, zich ontwikkelend repertoire, omdat de componist zichzelf wilde ontwikkelen, maar veeleer in het feit dat hij de door hem in zijn vroege levensperiode reeds ontwikkelde speelstijlen en -technieken steeds opnieuw in zijn oefenstofstukken verwerkte.


    Tjako van Schie, senior docent Conservatorium van Amsterdam, 16 maart 1998